web analytics

Inzending essaywedstrijd -3: De overtuiging tot verandering bij tussenpersonen

Dit essay schrijf ik om de intermediaire bedrijfstak de noodzaak tot verandering te laten voelen. Om veranderingen binnen een traditionele bedrijfstak als die van de Nederlandse tussenpersoon teweeg te brengen, dienen de direct betrokkenen de overtuiging te krijgen dat die verandering ook echt nodig is. Dat geldt voor zowel de beleidsmakers als de uiteindelijke onderwerpen van verandering, de tussenpersonen zelf. Dit essay beschrijft de actuele ontwikkelingen die gezamenlijk er voor zorgen dat de rol en positie van de tussenpersoon verandert. Ik besluit het essay met mijn eigen visie ten aanzien van het kunnen realiseren van de noodzakelijke veranderingen.

Probleemdefinitie

De markt voor tussenpersonen in Nederland is een traditionele markt. De samenstelling van de portefeuille van een tussenpersoon is de afgelopen decennia nauwelijks structureel gewijzigd. Nog steeds vormen particuliere schadeverzekeringen de hoofdmoot qua omzet voor de meeste tussenpersonen. Daarnaast bestaat de markt nog steeds grotendeels uit kleine tot zeer kleine ondernemingen. Zo is 40% van de markt ZZP-er. Sinds 2002 mogen tussenpersonen op een andere manier beloond worden dan uitsluitend provisie. Nu, zeven jaar later, blijkt dat nog slechts een beperkt deel (minder dan 10%) structureel actief is met een ander verdienmodel. De afgelopen decennia hebben tussenpersonen ook de (economische) wind mee gehad. Premies stegen, producten werden complexer (mede fiscaal gestimuleerd), er ontstond een markt voor beleggingen en de hypotheekbedragen vlogen omhoog. Door de directe relatie tussen de hoogte van premies en hypotheekbedragen en de provisie-inkomsten van een tussenpersoon, heeft deze markt optimaal kunnen profiteren. Dat heeft ook geleid tot een zekere mate van organisatieslack, waardoor de markt weinig innoverend en vernieuwend is gebleken. In dit essay beschrijf ik waarom dat nu leidt tot grote bedrijfseconomische risico’s en waarom deze markt zal moeten veranderen. Gezien de voorgeschiedenis van deze sector, is het echter al een enorme klus om de tussenpersonen te overtuigen dat zij moeten veranderen. Dat is dan ook de eerste uitdaging die aangegaan dient te worden alvorens het veranderingsproces überhaupt in te kunnen gaan.

Primaire bestaansrecht onder druk

Tussenpersonen in de financiële dienstverlening bestaan bij de gratie van een falende markt. Doordat aanbieders en afnemers niet zelf de match kunnen maken tussen vraag en aanbod, hebben tussenpersonen toegevoegde waarde zolang zij wel die match tot stand kunnen brengen. De markt voor tussenpersonen wordt gekenmerkt door het bestaan van principaal-agent relaties. De tussenpersoon is de agent die werkzaamheden verricht voor twee principalen. Aan de ene kant de aanbieder van financiële producten (banken en verzekeraars), aan de andere kant de afnemer van deze producten, consumenten en bedrijven. De toegevoegde waarde van de tussenpersoon bestaat, vanuit de theorie geredeneerd, uit het verminderen van transactiekosten en het verkleinen van de informatie asymmetrie. Om een transactie te sluiten moeten zowel aanbieders als afnemers kosten maken. Aanbieders maken kosten om afnemers te lokaliseren en te benaderen, om de producten onder de aandacht te brengen en om het aanvraagformulier ingevuld te ontvangen. Afnemers maken kosten (kan ook tijd zijn) om informatie te zoeken, de juiste aanbieder en het product te selecteren en de aanvraag tot een product in te dienen. De functie van een tussenpersoon vanuit de transactiekostentheorie is dat een tussenpersoon beter en goedkoper in staat is om de transactie tot stand te brengen dan wanneer aanbieders en afnemers rechtstreeks met elkaar zaken doen. Met name gaat dit op als het gaat om complexe producten waarbij de afnemer onzeker is over zijn aankoop.

Naast het verminderen van transactiekosten is het primaire bestaansrecht van de tussenpersoon het verkleinen van de informatie asymmetrie. De aanbieder kent de afnemer onvoldoende en ook niet het risico dat deze afnemer vertegenwoordigt. De afnemer heeft over het algemeen geen kennis van het verschil tussen de vele aanbieders en hun producten. De tussenpersoon verkleint zowel voor de aanbieder als voor de afnemer deze informatiekloof. Als gevolg van de technologische vooruitgang hebben zowel afnemers als aanbieders van financiële producten meer mogelijkheden om zonder tussenpersoon zaken met elkaar te doen. Verzekeraars en banken communiceren steeds vaker rechtstreeks met klanten en klanten sluiten steeds vaker direct hun producten af bij de aanbieders. Vooral bij eenvoudige financiële producten als schadeverzekeringen (auto, zorg, inboedel, opstal) is het marktaandeel van deze direct writers stijgende ten koste van die van de tussenpersonen. In 10 jaar tijd daalde het marktaandeel van tussenpersonen bij particuliere schadeverzekeringen met 25%[1]. Dit is extra pijnlijk voor de tussenpersonen, omdat de meeste kantoren voor circa driekwart van de omzet afhankelijk zijn van juist deze markt. De transactiekosten zijn duidelijk gedaald voor afnemers en aanbieders. Daarnaast zijn vooral de consumenten steeds slimmer geworden en hebben ze ook de beschikking over steeds meer en steeds betere informatie om een financiële beslissing te kunnen nemen. Het gemiddelde opleidingsniveau in Nederland neemt toe en de partijen die informatie bieden aan de consument (maar dit geldt ook voor de zakelijke markt), zoals vergelijkingsites en consumentenprogramma’s zorgen voor een goed geïnformeerde consument.

Meer concurrentie

Mede als gevolg van bovengenoemde ontwikkelingen is de concurrentie voor de tussenpersoon de afgelopen jaren sterk toegenomen. Vrijwel alle banken en verzekeraars die samenwerken met tussenpersonen hebben ook een direct distributiekanaal. Voornamelijk bij verzekeraars is een toename te zien van directe kanalen, zoals Ditzo, Izio, Allsecur en Inshared. Daarnaast hebben banken de strategie, via het creëren van bankassurance bedrijven, om via hun bankkantoren de klant ook te bewegen verzekeringen af te sluiten. De ontwikkeling van de marktaandelen in de markt voor particuliere schadeverzekeringen, bewijzen dat de concurrentie inderdaad is toegenomen en dat de tussenpersoon die strijd lijkt te gaan verliezen.

Maar ook bij tussenpersonen onderling neemt de concurrentie toe. Franchiseketens die zijn begonnen in de hypotheekmarkt zoeken naar mogelijkheden om het productenpallet te verbreden. De hypotheekspecialist, mede gedreven door de economische omstandigheden, wil ook verzekeringen sluiten, de verzekeringstussenpersoon richt zich op de beleggingsmarkt.

Verder zorgen de economische omstandigheden ervoor dat de rendementen bij het intermediair zijn gedaald. De hypotheekmarkt en de markt voor levensverzekeringen is bijna gehalveerd, beleggen is nog even geen optie voor veel consumenten en de kosten van de bedrijfsvoering nemen sterk toe. Dat betekent dat het intermediair genoodzaakt is om scherper te concurreren om op de overgebleven markt een rol te kunnen blijven spelen. Er is minder markt voor hetzelfde aantal spelers immers.

Uitdijende regelgeving

De wetgever heeft een breed scala aan maatregelen genomen ter bescherming van de consument, ter versterking van het vertrouwen in de financiële dienstverlening en ter verbetering van de kwaliteit van de financiële dienstverlening. De meeste maatregelen zijn zeer recent. Met de invoering van de Wfd (later opgegaan in de WFT) zijn tussenpersonen verplicht een vergunning te hebben, moeten ze deskundig zijn en blijven en worden onder meer eisen gesteld aan de integriteit en betrouwbaarheid. Maar vooral ten aanzien van de beloningsstructuur hebben tussenpersonen veel extra regels opgelegd gekregen.

Een intermediair die adviseert of bemiddelt in complexe producten en/of hypotheken,  is door de wetgever verplicht: transparant over de beloning, gebonden aan een maximale verhouding tussen afsluitprovisie en doorlopende provisie (behalve bij hypotheken), gebonden aan terugboekingrisico voor tenminste 5 jaar, ontvangt alleen provisie die de kwaliteit ten goede komt en niet verhindert dat in het belang van de cliënt wordt gehandeld (de zogeheten inducementregels) en ontvangt geen provisie meer, anders dan afsluit en doorlopende provisie. Deze set regels geldt alleen als de tussenpersoon op provisiebasis werkt, hetgeen betekent dat de aanbieder de tussenpersoon vanuit de premie of maandlasten beloont voor zijn werkzaamheden via provisie. Als een tussenpersoon rechtstreeks door de afnemer voor de dienstverlening wordt betaald, via een fee of abonnement bijvoorbeeld, dan gelden al de hiervoor beschreven beloningsregels niet. De overheid laat dus duidelijk merken dat zij de tussenpersoon het werken op provisiebasis wil ontmoedigen. Omdat op dit moment nog circa 95% van alle tussenpersonen op provisiebasis werkt, gaat de markt gebukt onder een juk aan regels.

Het einde van de regelgeving ten aanzien van tussenpersonen is nog lang niet in zicht. Als gevolg van de kredietcrisis maken de Nederlandse overheid en de Europese wetgever zich klaar voor nieuwe regels. De Richtlijn Verzekeringsbemiddeling (IMD) wordt aangepast, de Mifid wordt aangepast en er ligt een nieuw voorstel ten aanzien van de regulering van de Europese markt voor samengestelde beleggingsproducten (PRIPS). Daarbij zal de focus liggen op het terugdringen van perverse beloningsprikkels, het verbeteren van de informatie aan de consument en het reguleren van onjuiste verkooptechnieken.

Bedrijfseconomisch risico

De tussenpersonen lopen een groot bedrijfseconomisch risico. Doordat op dit moment vrijwel alle tussenpersonen grotendeels afhankelijk zijn van provisie voor hun inkomsten, beschikken zij nu niet over de mogelijkheid om prijs als strategisch instrument in te zetten om de geschetste ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden. De prijs van de tussenpersoon wordt hoofdzakelijk bepaald door de aanbieder. Het is de aanbieder die bepaalt en betaalt. Alleen de zeg top 150 tussenpersonen zijn in staat om zelf te onderhandelen met de aanbieder over de hoogte van de provisie. Bekend is dat over het algemeen de verschillen in provisie tussen tussenpersonen te verwaarlozen zijn. Omdat de tussenpersoon, voor zover deze op provisiebasis werkt, niet zelf de prijs van zijn dienstverlening kan sturen, loopt hij bedrijfseconomisch onaanvaardbare risico’s. Als de premie door concurrentie daalt, daalt ook de provisie, terwijl de tussenpersoon meer inspanning moet verrichten om de premieverschillen voor de consument inzichtelijk te maken. Door de kredietcrisis zijn de huizenprijzen en dus ook de hypotheekbedragen gedaald, wat zich doorvertaalt in lagere provisies op lagere bedragen. Daarnaast zijn banken en verzekeraars, naast uitbetaler van de provisie, ook de directe concurrent voor het intermediair. Immers zowel banken als verzekeraars hanteren een multichannelbeleid.

Daarnaast is de wetgever bezig met een regime om het werken op provisiebasis onaantrekkelijker te maken. Vanaf januari 2010 geldt er zelfs een verbod op provisie bij complexe producten en hypotheken, met uitzondering van afsluit- en doorlopende provisie. Ook de onlangs geïntroduceerde inducementregels hanteren als stelregel dat provisie alleen onder voorwaarden is toegestaan. Dat betekent dat tussenpersonen een risico lopen richting de toekomst om voor hun inkomsten volledig afhankelijk te blijven van provisie. Het zou kunnen dat aan provisie nog meer regels worden verbonden of dat deze zelfs helemaal verboden gaat worden in de toekomst. In ieder geval is duidelijk dat ondernemers minder afhankelijk dienen te worden van het provisiemodel. Of op zijn minst zouden tussenpersonen zelf de hoogte van de provisie moeten bepalen in plaats van de aanbieders. Steeds meer aanbieders bieden die mogelijkheid ook, via de zogeheten provisieschuif.

Vertrouwenscrisis

De consument en de politiek hebben steeds minder vertrouwen in de financiële sector. Het intermediair heeft daar ook last van. De vele schandalen van de afgelopen jaren, aandelenlease, woekerpolissen, easylife, Palm Invest en de kredietcrisis maakt dat zowel de consument als de politiek de sector onbetrouwbaar vindt. Dat leidt tot steeds meer regelgeving en toezicht en beperkt de neiging om te vertrouwen op het liberale begrip marktwerking. Het intermediair staat hierdoor op een achterstandpositie, omdat eerst het vertrouwen moet worden teruggewonnen alvorens de consument weer volledig op het advies van zijn tussenpersoon afgaat.

De uitdaging

De in dit essay genoemde ontwikkelingen duiden op een sombere toekomst voor het intermediair. Als optimist heb ik het liever over uitdagingen. En niet zonder reden. Uit alle onderzoeken, waaronder die van CentiQ, blijkt dat de consument behoefte heeft aan advies bij financiële aankopen. Dat advies kan overigens ook van een kennis komen, maar in potentie betekent dit een markt voor het intermediair. De kredietcrisis en andere schandalen hebben waarschijnlijk een grotere negatieve impact op de banken en verzekeraars dan op tussenpersonen. Het zijn overduidelijk de aanbieders die hoofdverantwoordelijk zijn gesteld voor deze drama’s. Dat kan betekenen dat het imago van het intermediair wel eens positief (of minder negatief) kan afsteken tegenover die van banken en verzekeraars. Het is dan wel zaak om de nauwe (financiële) banden met aanbieders los te laten.

Een voordeel voor de tussenpersonen is ook dat in Nederland al een enorm regelgevend kader is neergelegd. Het is vrijwel ondenkbaar dat Europa daar nog een schepje bovenop kan doen, gezien het feit dat in de mediterrane landen bijvoorbeeld nog nauwelijks iets geregeld is voor tussenpersonen.

De tussenpersonen worden nu gedwongen om, als resultaat van de in dit essay geschetste ontwikkelingen, om in ieder geval na te denken over het eigen verdienmodel. Tussenpersonen moeten zich afvragen in hoeverre klanten voldoende rendabel zijn, of men afhankelijk wil blijven van de aanbieder voor de eigen beloning en men zal meer en meer concrete afspraken moeten maken met klanten. De automatismen van de traditionele bedrijfstak verdwijnen, de polisverkoper moet adviseur en ondernemer zijn in deze tijd. Het toekomstbeeld voor de tussenpersonen is dat dit uiteindelijk leidt tot een veel betere, meer onafhankelijke positie van het eigen kantoor.

Vervolgstappen

Het zien van de uitdaging is één ding, het realiseren ervan is een ander. Gezien de omvang en complexiteit van deze uitdagingen is het van belang dat de intermediaire bedrijfstak één front gaat vormen. Op dit moment zijn er meer dan vijf belangenorganisaties actief voor tussenpersonen, terwijl zowel de consument als de banken en verzekeraars zich door slechts één organisatie laten vertegenwoordigen.  Dat moet als eerste veranderen. De oprichting van FIDIN, de Federatie Intermediaire Dienstverlening in Nederland, die de lobbyactiviteiten van NBVA en NVA bundelt, is daar een eerste goede stap in. Daarnaast dient de intermediaire wereld een eigen toekomstvisie neer te leggen ten aanzien van de rol en positie van de tussenpersoon de komende jaren. Om daarmee de stip aan de horizon te kunnen zetten waar de bedrijfstak naar toe wil werken. Daarbij is het van belang om te proberen deze toekomstvisie gedeeld te krijgen met de stakeholders, banken, verzekeraars, overheid en consumentenorganisaties. Daarmee creëert de bedrijfstak draagvlak en middelen om de noodzakelijke omslag daadwerkelijk te kunnen maken.

Maar voor de levensfase waarin de tussenpersoon als instituut nu verkeert, is het zaak om de urgentie tot verandering tussen de oren te krijgen bij de ondernemers zelf. Alleen dan kan er ook effectief aan die noodzakelijke verandering worden gewerkt.

Met dit essay wil ik dan ook een bijdrage leveren aan het verhogen van deze ‘sense of urgency’.


[1] Bron Gfk, 2008

Deel dit artikel
Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Facebook

Tags:

Reageer